1. Proloog - september 1970


‘Weet je nog waar we zijn?’
‘Waar we zijn?’ Irmgard Konopka werpt een blik op Teeny Blöwitz die naast haar zit. Het broekpak, de laarsjes, de onberispelijke make-up. Zestien jaar is ze. Of zeventien. Een  toonbeeld van koele zelfverzekerdheid. Haar mond en neus vol van de rook van een Dunhill-sigaret. Iedere centimeter een imitatie van Debbie Kelsoe, die oorspronkelijk Konopka's partner was, en voor wie ze, anderhalve maand geleden, na de trainingsstage in Palestina, in de plaats is gekomen.
 ‘Volgens mij ben je verdwaald.’
Konopka zet de donkergroene VW-kever stil, abrupt, midden op een kruispunt. Ze kruipt, kippig als ze is, met haar neus tegen de voorruit om de omgeving in zich op te nemen. Een woonwijk in Neukölln. Typisch Berlijns. Niet oud, niet nieuw. Flats van twee etages. Laagbouw van kort na de oorlog, waar in het licht van deze middag aan het eind van september niemand lijkt te wonen. De straten stoffig en leeg, veel breder dan nodig is voor het spaarzame verkeer.
‘Ben ik verkeerd gereden?’
Teeny giechelt. ‘Ik dacht van wel.’ 
‘Waar zijn we?’
‘Je moet je bril opzetten.’
‘Waar zijn we?’
‘Bij het vorige kruispunt had je rechtsaf gemoeten.’
‘Ik kom hier niet vaak,’ zegt Konopka. ‘Wat doe ik? Keren?’
‘Nee, nee,’ zegt Teeny. ‘Ga hier maar rechtsaf. En dan de derde straat weer rechts.’
‘Weet je het zeker?’
Teeny kijkt beledigd uit het raampje.

Aflevering 2

Reacties